Er was evenwel een wet van 12 april 1994 nodig om een nuance aan te brengen : « Wanneer het echter gaat om een misdrijf bedoeld in de artikelen 1, 1º, 2, eerste lid, 2bis en 4, eerste lid, en gepleegd tegen natuurlijke personen, is de vordering van de instelling van openbaar nut, van de vereniging of van de representatieve organisatie alleen ontvankelijk als deze aantoont dat zij de instemming van de personen heeft gekregen».
Il a fallu une loi du 12 avril 1994 pour préciser : « Toutefois, en cas d'infraction visée aux articles 1 , 1º, 2, premier alinéa, 2bis , et 4, premier alinéa, contre des personnes physiques, l'action de l'établissement d'utilité publique, de l'association ou de l'organisation représentative ne sera recevable que s'il prouve qu'il a reçu leur accord».