In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 24bis van de faillissementswet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre luidens die bepaling enkel de middelen van tenuitvoerlegging worden opgeschort, en niet de uitvoering van een overeenkomst waarbij de echtgenoot van de gefailleerde, die zich niet kosteloos zeker heeft gesteld, zich ertoe heeft verbonden zijn loon over te dragen tot waarborg van een schuld van zijn echtgenoot.
Par la seconde question préjudicielle, la Cour est interrogée sur la compatibilité de l'article 24bis de la loi sur les faillites avec les articles 10 et 11 de la Constitution en ce qu'en vertu de cette disposition, seules les voies d'exécution sont suspendues et non l'exécution d'une convention par laquelle le conjoint du failli, qui ne s'est pas porté caution à titre gratuit, s'est engagé à céder sa rémunération en garantie d'une dette de son époux.