De steile hellingen van de valleien kunnen plaatselijk worden ingenomen door ravijnesdoornbossen (9180), de hoofden van de stroomgebieden door veenachtige berkenbossen (91D0) of para-veenachtige berkenbossen (9190).
Localement les versant escarpés des vallées peuvent être occupés par de l'érablière de ravin (9180), les têtes de bassin par de la boulaie tourbeuse (91D0) ou paratourbeuse (9190).