Art. 20. Het aan de leden opgelegde beraadslagingsverbod, dat in artikel 18 § 2, eerste lid werd bepaald, geldt wanneer een lid een rechtstreeks of onrechtstreeks, al dan niet persoonlijk belang heeft in de beslechting van het geschil of wanneer de toedracht van de zaak dusdanig is dat zijn onpartijdigheid in twijfel kan worden getrokken.
Art. 20. L'interdiction faite aux membres de délibérer prévue à l'article 18 § 2, alinéa 1, s'applique dès lors qu'un membre a un intérêt, direct ou indirect, personnel ou non, à la solution du litige, ou que les circonstances de la cause sont telles que son impartialité est susceptible d'être mise en doute.