De jeugdrechtbank kan slechts tot uithandengeving beslissen indien de betrokkene reeds eerder het voorwerp is geweest van één of meerdere maatregelen van bewaring, behoeding of opvoeding of van een herstelrechtelijk aanbod of indien het een zwaarwichtig feit betreft zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter, 417quater en 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek (artikel 57bis, § 1, eerste lid).
Le tribunal de la jeunesse ne peut décider d'un dessaisissement que si l'intéressé a déjà fait l'objet d'une ou de plusieurs mesures de garde, de préservation ou d'éducation ou d'une offre restauratrice ou s'il s'agit d'un fait majeur visé aux articles 373, 375, 393 à 397, 400, 401, 417ter, 417quater et 471 à 475 du Code pénal ou d'une tentative de commettre un fait visé aux articles 393 à 397 du Code pénal (article 57bis, § 1, alinéa 1).