Art. 239. De ambtenaar die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, wordt met pensioen gestuurd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin, zonder erkend te worden als definitief ongeschikt, hij 365 afwezigheidsdagen wegens ziekte telt (ofwel verlof ofwel disponibiliteit wegens ziekte, of een cumulatie van de twee) sinds zijn zestigste verjaardag.
Art. 239. Le fonctionnaire qui a atteint l'âge de 60 ans est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu définitivement inapte, il compte 365 jours d'absence pour maladie (soit congé ou disponibilité pour maladie, soit cumul des deux) depuis son soixantième anniversaire.