De artikelen 4 tot 8 bekrachtigen op eenvormige wijze voor het openbaar ambt, sommige fundamentele rechten en plichten die eigen zijn aan het statuut van de ambtenaren, zoals : de verplichting voor de ambtenaren hun ambt loyaal, integer en zorgzaam uit te oefenen, de gebruikers van de dienst met begrip en zonder discriminatie te behandelen en elke handelwijze, buiten hun functie, te vermijden die het vertrouwen van het publiek in hun dienst zou aantasten, alsook het recht voor de ambtenaren op vrije meningsuiting, op de nodige informatie voor de uitoefening van hun ambt en op de raadpleging van hun persoonlijk dossier.
Les articles 4 à 8 consacrent, de façon uniforme pour la fonction publique, certains droits et devoirs fondamentaux propres au statut des agents; ainsi, l'obligation, pour les agents, de remplir leurs fonctions avec loyauté, conscience et intégrité, de traiter les usagers de leur service avec compréhension et sans discrimination et d'éviter tout comportement, en dehors de leurs fonctions, de nature à ébranler la confiance du public dans leur service ; ainsi, le droit, pour les agents, à la liberté d'expression, à l'information nécessaire à l'exercice de leurs tâches et à la consultation de leur dossier personnel.