Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het gevaar voor misbruiken heeft ingezien waartoe de aanneming van een strafwet tot bestraffing van terroristische handelingen aanleiding kon geven en dat, ondanks het adv
ies van de Raad van State, die van mening was dat die bepaling een « vanzelfsprekendheid [was] die niet thuishoort in het Strafwetboek », die bepaling bewust werd behouden om het evenwicht te bewaren tussen de doeltreffendheid van de strijd tegen het terrorisme en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden : « In die
zaken is het beter nodeloos uitdrukke ...[+++]lijk te zijn dan gevaarlijk stilzwijgend en dubbelzinnig » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/004, pp. 10-11; zie ook ibid., pp.Il ressort des travaux préparatoires que le législateur s'est aperçu des risques d'abus que pouvait entraîner l'adoption d'une loi pénale réprimant les actes terroristes et que, malgré
l'avis du Conseil d'Etat qui estimait que cette disposition constituait un « truisme qui n'a pas sa place dans le Code pénal », c'est à dessein que cette disposition a été maintenue, afin de préserver l'équilibre entre l'efficacité de la lutte contre le terrorisme et le respect des libertés fondamentales : « En cette matière, il vaut mieux être inutilement explicite que dangereusement silencieux et ambigu » (Doc. parl., Chambre, 2003-2004, DOC 51-0258/004,
...[+++] pp. 10-11; voir également ibid., pp. 4-5).