Ten opzichte van de in B.4 uiteengezette doelstelling van de wetgever om gehuwden en samenwonenden gelijk te behandelen en ermee rekening houdend dat de wezenbijslag een bijzondere vergoeding is voor de situatie waarin het gezin niet meer is samengesteld uit twee ouders, is het evenwel niet redelijk verantwoord om, in geval van feitelijke scheiding van een opnieuw gehuwde overlevende ouder, de wezenbijslag pas toe te kennen vanaf de datum van een « gerechtelijke beschikking die het echtpaar een afzonderlijke verblijfplaats aanduidt », en niet vanaf de datum van de feitelijke scheiding, zoals die kan worden vastgesteld, onder meer op basis van een getuigschrift van woonplaats, terwijl in geval van feitelijke samenwoning van de overlevende ou
...[+++]der, de wezenbijslag reeds opnieuw kan worden toegekend vanaf de datum van het beëindigen van de samenwoning, waarbij het enkele bewijs dat die is stopgezet volstaat.Toutefois, au regard de l'objectif du législa
teur exposé au B.4, consistant à traiter de manière égale les personnes mariées et les cohabitants, et compte tenu de ce que les allocations d'orphelin sont des allocations spéciales destinées à la situation dans laquelle le ménage n'est plus composé de deux parents, il n'est raisonnablement pas justifié qu'en cas de séparation de fait du parent survivant remarié, les allocations d'orphelin ne soient accordées qu'à compter de la date de « l'ordonnance judiciaire assignant aux époux une résidence séparée » et non à compter de la date de la séparation de fait qui peut être établie notamment sur
...[+++]la base d'un certificat de domicile, alors qu'en cas de cohabitation de fait du parent survivant, les allocations d'orphelin peuvent être rétablies à partir de la date à laquelle cesse la cohabitation et pour laquelle la simple preuve de la cessation de celle-ci suffit.