Art. 7. Wanneer bij aanwerving de reis ten gevolge van overmacht of louter toeval niet is kunnen beginnen of voortgezet worden, wordt de zeeman zijn loon betaald naar verhouding van de dagen, gedurende welke hij in dienst van het schip is geweest, en heeft hij bovendien recht op een morele schadevergoeding gelijk aan de helft van de bruto bezoldiging inclusief vakantiegeld en uniformvergoeding die voor de veronderstelde duur van de reis zou verschuldigd zijn, zonder dat die morele schadevergoeding meer dan 10 pct. kan bedragen van de maandelijkse bruto bezoldiging inclusief vakantiegeld en uniformvergoeding.
Art. 7. Lorsque le voyage n'a pu être commencé ou continué par suite d'une force majeure ou d'un cas fortuit, le marin obtiendra les gages calculés au prorata des journées passées au service du navire et il a droit, en outre, à des dommages et intérêts équivalents à la moitié des gages bruts, y compris le pécule de vacances et l'indemnité d'uniforme, qui seraient dus pour la durée présumée du voyage, sans que ces dommages et intérêts puissent dépasser 10 p.c. de la rémunération mensuelle brute, y compris le pécule de vacances et l'indemnité d'uniforme.