De verzoeker in de zaak nr. 2347 repliceert dat de opvatting die de Ministerraad van het beginsel van de evenredige vertegenwoordiging heeft te eng is : hij betoogt dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in beginsel, in kieszaken, garanderen dat de samenstelling van een verkozen vergadering de volledige weerspiegeling en niets dan de weerspiegeling zal zijn van de stemmen die door het kiezerskorps dat haar verkozen heeft zijn uitgebracht, en daardoor garanderen dat, onder voorbehoud van een objectieve en redelijke verantwoording in tege
ngestelde zin, elke uitgebrachte stem hetzelfde gewicht zal hebben bij de invloed die zij uitoefent
...[+++]op de samenstelling van de te kiezen vergadering.
Le requérant dans l'affaire n 2347 réplique que la conception que le Conseil des ministres se fait du principe de la représentation proportionnelle est trop étriquée : il soutient que les articles 10 et 11 de la Constitution garantissent par principe, en matière électorale, que la composition d'une assemblée élue sera tout le reflet mais rien que le reflet des suffrages émis par le corps électoral qui l'élit, et garantissent par là même que, sous réserve d'une justification objective et raisonnable en sens contraire, chaque vote émis sera doté du même poids dans l'influence qu'il exerce sur la composition de l'assemblée à élire.