Door het een kind dat vóór de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 geboren is en wiens recht om het vaderschap te betwisten is verjaard op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wetten, niet mogelijk te maken een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen wanneer het na de inwerkingtreding van die wetten ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, terwijl die echtgenoot in dat geval het recht heeft zijn vaderschap te betwisten op grond van de in artikel 25, § 4, van de wet van 1 juli 2006 opgenomen overgangsbepaling, en ter
wijl de man die het vaderschap opeist eveneens in dat geval het re ...[+++]cht heeft het vaderschap van de echtgenoot te betwisten, niet op grond van de in artikel 25, § 1, van die wet opgenomen overgangsbepaling, maar door de onmiddellijke toepassing van artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd tussen die drie houders van de vordering tot betwisting van het vaderschap, verschil dat niet op redelijke wijze kan worden verantwoord.En ne permettant pas à un enfant né avant l'entrée en vigueur des lois du 1 juillet 2006 et du 27 décembre 2006, dont le droit d'agir en contestation de paternité est prescrit au moment de l'entrée en vigueur de ces lois, d'intenter une action en contestation de paternité, s'il découvre, après l'entrée en vigueur de ces lois, que le mari de sa mère n'est pas son père, alors que ce mari a, dans ce cas, le droit de contester sa paternité sur la base de la disposition transitoire prévue par l'article 25, § 4, de la loi du 1 juillet 2006 et que l'homme qui revendique la paternité a, également dans ce cas, le droit de contester la paternité du mari, non pas sur la base de la disposition transitoire inscrite à l'article 25, § 1, de cette loi, mai
...[+++]s en raison de l'application immédiate de l'article 318, § 2, alinéa 1, du Code civil, le législateur a instauré une différence de traitement entre ces trois titulaires de l'action en contestation de paternité qui ne peut se justifier de manière raisonnable.