« Schendt artikel 22, derde lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie die in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn vastgelegd, eventueel in verband gebracht met artikel 5.4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de w
et van 13 mei 1995, doordat het bepaalt dat vóór de verschijning van d
e verdachte voor de raadkamer van de correctionele rechtbank ten einde het aanhoudingsbevel al
...[+++]dan niet te bevestigen, het onderzoeksdossier gedurende twee dagen te zijner beschikking en ter beschikking van zijn raadsman wordt gehouden, terwijl, bij ontstentenis van bijzondere wetsbepalingen die van toepassing zijn op het openbaar ministerie, deze partij, van haar kant, op elke ogenblik toegang kan hebben tot het onderzoeksdossier met het oog op de voorbereiding van haar vorderingen voor het onderzoeksgerecht ?« L'article 22, alinéa 3, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, viole-t-il les principes d'égalité ou de non-discrimination consacrés par les articles 10 et 11 de la Constitution, éventuellement mis en rapport avec l'article 5.4 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, approuvée par la loi du 13 mai 1995, en ce qu'il dispose qu'avant la comparution de l'inculpé devant la chambre du conseil du tribunal correctionnel aux fins de con
firmation ou non du mandat d'arrêt, le dossier de l'instruction est mis à
sa disposition et à ...[+++]celle de son conseil pendant deux jours, alors que, à défaut de dispositions législatives particulières applicables à la partie publique, le ministère public peut, pour sa part, avoir à tout moment accès au dossier de l'instruction en vue de la préparation de ses réquisitions devant la juridiction d'instruction ?