5. merkt op dat verschillende regeringen beweren dat deze grootschalige observatie- en afluisterprogramma's noodzakelijk zijn om terrorisme te bestrijden; veroordeelt terrorisme ten stelligste, maar is ervan overtuigd dat de strijd tegen het terrorisme op zichzelf nooit een rechtvaardiging kan zijn voor niet-doelgerichte, geheime en soms zelfs illegale grootschalige observatie- en afluisterprogramma's; stelt dat zulke programma's onverenigbaar zijn met de beginselen van noodzaak en evenredigheid die in een democratische samenleving gelden;
5. note que plusieurs gouvernements affirment que ces programmes de surveillance de masse sont nécessaires à la lutte contre le terrorisme; dénonce fermement le terrorisme, mais est convaincu que la lutte contre le terrorisme ne peut en aucun cas justifier l'existence de programmes de surveillance de masse non ciblés, secrets, voire illégaux; estime que de tels programmes sont incompatibles avec les principes de nécessité et de proportionnalité en vigueur dans les sociétés démocratiques;