Art. 14. Indien de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer naar aanleiding van een verificatie op grond van artikel 13 van de wet van 8 december 1992 een redelijk vermoeden heeft dat persoonsgegevens in de zin van deze wet, die door een inlichtingen- en veiligheidsdienst worden verwerkt, zijn verzameld via een specifieke of uitzonderlijke methode maar met miskenning van de regels vervat in de wet van 30 november 1998, kan ze een met redenen omkleed verzoek tot het Vast Comité I richten.
Art. 14. Si, à la suite d'une vérification sur la base de l'article 13 de la loi du 8 décembre 1992, la Commission de la protection de la vie privée a une suspicion raisonnable que des données à caractère personnel, au sens de cette loi, qui sont traitées par un service de renseignement et de sécurité, sont recueillies via une méthode spécifique ou exceptionnelle, mais au mépris des règles contenues dans la loi du 30 novembre 1998, elle peut adresser une demande motivée au Comité permanent R.