De dienstanciënniteit van het personeelslid bedoeld in artikel 1, § 1, 3°, c) , omvat de tijd gedurende welke hij in enige hoedanigheid en zonder vrijwillige onderbreking deel heeft uitgemaakt van de Dienst als titularis van een ambt met volledige prestaties.
L'ancienneté de service du membre du personnel visé à l'article 1, § 1, 3°, c) , comporte le temps pendant lequel il a, à quelque titre que ce soit et sans interruption volontaire, fait partie de l'Office comme titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes.