De bepaling van het ministerieel besluit van 10 februari 1984 die preciseerde «indien de begunstigde van de lening zijn activiteit moet stopzetten, zal het Participatiefonds het saldo van de lening niet opeisen» is zeker betrekkelijk weinig nauwkeurig, maar het was duidelijk dat het gebruik van de woorden «moet stopzetten» betekende dat een stopzetting die redelijkerwijze niet zou opgelegd geweest zijn aan de begunstigde van de lening geen aanleiding had kunnen geven tot een kwijtschelding van schuld.
La disposition de l'arrêté ministériel du 10 février 1984 qui précisait, «Si le bénéficiaire du prêt doit mettre un terme à ses activités, le Fonds de participation n'exigera pas le solde du prêt» est certes relativement peu précise, mais il était évident que l'emploi des mots «doit mettre un terme» signifiait qu'une cessation qui n'aurait pas été raisonnablement imposée au bénéficiaire du prêt n'aurait pu donner lieu à une remise de dette.