2. De lidstaten schrijven voor dat, indien de door de in artikel 22, lid 1, bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de instelling zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten passende maatregelen moeten treffen om aan deze toestand een einde te maken.
2. Les États membres prévoient que, au cas où l’influence des personnes visées à l’article 22, paragraphe 1, est susceptible de s’exercer au détriment d’une gestion prudente et saine de l’établissement, les autorités compétentes prennent des mesures appropriées pour mettre fin à cette situation.