Bij het arrest van 26 juni 2007 in de zaak C-305/05 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeen
schappen voor recht gezegd dat het recht op een eerlijk proces, zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffend
e de Europese Unie, niet is geschonden door de verplichting voor de advocaten om de verantwoordelijke autoriteiten voor de bestrijding van het witwa
...[+++]ssen van geld te informeren en met hen samen te werken, rekening houdend met de door de richtlijn 91/308/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijn 2001/97/EG, opgelegde of toegestane beperkingen op die verplichting.
Par l'arrêt du 26 juin 2007 rendu dans l'affaire C-305/05, la Cour de justice des Communautés européennes a dit pour droit que le droit à un procès équitable, garanti par l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme et par l'article 6, § 2, du Traité sur l'Union européenne n'est pas violé par les obligations faites aux avocats d'information et de coopération avec les autorités responsables de la lutte contre le blanchiment de capitaux, compte tenu des limites à ces obligations imposées ou permises par la directive 91/308/CEE telle qu'elle a été modifiée par la directive 2001/97/CE.