(38) Art. 49, 2° van de wet van 8 april 1965 bepaalt : in spoedeisende gevallen kan de onderzoeksrechter ten aanzien van de persoon (die voor de leeftijd van 18 jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt) een van de in de
artikel 52 bedoelde maatregelen van bewaring nemen, onverminderd de verplichting daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht te geven aan de jeugdrechtbank, die alsdan haar bevoeg
dheden uitoefent en binnen twee ...[+++] werkdagen uitspraak doet, overeenkomstig de artikelen 52 ter en 52quater.
(38) Art. 49, 2° de la loi du 8 avril 1965 stipule : S'il y a urgence, le juge d'instruction peut prendre à l'égard de la personne ayant commis avant l'âge de dix-huit ans un fait qualifié infraction, même si la réquisition du ministère public est postérieure à la date à laquelle cette personne a atteint l'âge de dix-huit ans, une des mesures de garde visées à l'article 52, sans préjudice à en donner avis simultanément et par écrit au tribunal de la jeunesse, qui exerce dès lors ses attributions et statue dans les deux jours ouvrables, conformément aux articles 52ter et 52quater )