De Raad van State heeft tevens opgemerkt dat het koninklijk besluit geen voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de aanvragen kon opleggen bij gebrek aan een wettelijke basis daartoe : voormelde programmawet machtigt immers de Koning niet om in dergelijke voorwaarden te voorzien voor de aanvragen bedoeld in artikelen 338, § 2, eerste, tweede en derde lid, en 338, § 6.
Le Conseil d'Etat a également fait remarquer que l'arrêté royal ne pouvait imposer de conditions de recevabilité des demandes, à défaut de base légale pour ce faire : la loi-programme précitée n'habilite en effet pas le Roi à prévoir de telles conditions pour les demandes visées aux articles 338, § 2, alinéas 1, 2 et 3, et 338, § 6.