27. betreurt de tegenstrijdigheid tussen de grondwettelijke vrijheid van geloof (vastgelegd in artikel 36 van de grondwet) en de voortdurende inmenging van de staat in de aangelegenheden van religieuze gemeenschappen, met name met betrekking tot de opleiding, selectie, benoeming en in de vorm van politieke indoctrinatie van geestelijken;
27. déplore la contradiction entre la liberté constitutionnelle de pensée (consacrée par l'article 36 de la Constitution) et l'ingérence permanente de l'État dans les affaires des communautés religieuses, notamment au niveau de la formation, de la sélection, de la nomination et de l'endoctrinement politique des ministres du culte;