Met uitzondering van de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 68, is de toelage bij een onderbreking van de opdracht die de toekenning van de toelage wettigt, alleen verschuldigd als de onderbreking niet langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.
A l'exception des vacances annuelles, visées à l'article 68, l'allocation n'est due, lors d'une interruption de la charge justifiant l'octroi de l'allocation, que lorsque l'interruption n'excède pas quatorze jours calendaires consécutifs.