Wordt nu de evolutie tussen 2003 en 2009 onder de loep genomen van het aantal positieve beslissingen inzake de erkenning van blijvende arbeidsonbekwaamheid, dan blijkt dat tijdens de periode van 2001 tot 2003 de vrouwen 34 % vertegenwoordigden, tussen 2004 en 2006 27 %, en tussen 2005 en 2009 uiteindelijk nog slechts 17 %.
Si nous comparons maintenant l'évolution, entre 2003 et 2009, des décisions positives concernant l'incapacité permanente, il apparaît que les femmes représentaient 34 % pour la période 2001 à 2003, 27 % entre 2004 et 2006, pour finir par ne représenter que 17 % entre 2005 et 2009.