L
e Conseil d'État avait suggéré de s'inspirer de la règle figurant à l'article 53bis, 1º, du Code judiciaire, applicable notamment aux notifications judicia
ires effectuées par courrier recommandé avec accusé de réception, selon laquelle, à l'égard des destinataires, les délais co
mmencent à courir à partir du « premier jour qui suit celui où le pl
i a été présenté au domicile ...[+++] du destinataire, ou, le cas échéant, à sa résidence ou à son domicile élu » (voir do c. Sénat nº 5-145/3).
De Raad van State had voorgesteld om uit te gaan van de regel vervat in artikel 53bis, 1º, van het Gerechtelijk Wetboek, die met name toepasselijk is op de gerechtelijke kennisgevingen bij aangetekende zending met ontvangstbewijs, een regel volgens welke de termijnen ten aanzien van de geadresseerden beginnen te lopen vanaf « de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats » (zie stuk Senaat, nr. 5-145/3).