8. erkent dat India
een model aanreikt voor de omgang met cultureel en religieus
pluralisme; drukt echter zijn grote bezorgdheid uit over de uitbreiding van het geweld in Orissa; verzoekt de Indiase regering en de regering van de deelstaat Orissa met aandrang een eind te maken aan het geweld in Orissa en herinnert hierbij aan de verplichting krachtens de door India geratificeerde toepasselijke internationale mensenrechtenwetgeving (het verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het verdrag inzake economische, sociale en cult
...[+++]urele rechten en het verdrag voor de uitbanning van rassendiscriminatie) om ervoor te zorgen dat geweld zoals dat werd gebruikt voor de onderdrukking van de emancipatie van de Dalits, niet meer voorkomt; 8. observe que l'Inde constitue un modèle en ce qui concerne la façon de gérer le pluralisme culturel et religieux; exprime, toutefois, sa profonde préoccupation face au développement de la violence dans l'État d'Orissa; demande instamment au gouvernement indien et au gouvernement de l'État d'Orissa de mettre un terme à la violence dans cet État et rappelle l'obligation, qui découle des textes de droit international que l'Inde a rat
ifiés en matière de droits de l'homme (le Pacte international relatif aux droits civils et politiques, le Pacte international relatif aux droits économiques, sociaux et culturels et la Convention internation
...[+++]ale sur l'élimination de toutes les formes de discrimination raciale), de garantir que des actes de violence comme ceux dont il a été fait usage pour réprimer les aspirations autonomistes des Dalits (intouchables) ne se reproduiront plus;