De tussenkomende partij, het G.H.A., is van oordeel dat het nadeel dat de verzoekende partijen beweren te lijden, niet voortvloeit uit het bestreden decreet zelf, maar wel uit latere beslissingen, namelijk de stedenbouwkundige vergunningen van 18 maart 2002 en het bekrachtigingsdecreet van 29 maart 2002.
La partie intervenante, le G.H.A., estime que le préjudice que les parties requérantes prétendent subir ne résulte pas du décret attaqué lui-même, mais bien des décisions ultérieures, à savoir les permis d'urbanisme du 18 mars 2002 et le décret de confirmation du 29 mars 2002.