Het Hof merkt met name op dat een verschil in fiscale behandeling tussen ingezeten moedervennootschappen naargelang zij een dochtervennootschap in het buitenland hebben, niet kan worden gerechtvaardigd door het feit alleen dat zij economische activiteiten uitoefenen in een andere lidstaat, waarin de vestigingsstaat zijn belastingbevoegdheid niet kan uitoefenen.
The Court holds, in particular, that a difference in tax treatment between resident parent companies according to whether or not they have foreign subsidiaries cannot be justified merely by the fact that they have decided to carry on economic activities in another Member State, in which the State of residence cannot exercise its taxing powers.